Zoeken
  • Roel Van Hemelen

Hervorming vennootschapsbelasting: waar moet u nu al op letten?


Op 25 december 2017 heeft onze regering het zomerakkoord goedgekeurd. Vanaf 1 januari 2018 zijn al enkele maatregelen van toepassing. In deze bijdrage geven wij u een praktisch overzicht van de gewijzigde zaken waarmee u nu al rekening moet houden. De onderwerpen in vet worden hieronder dieper besproken:


Samenvatting:

Vennootschappen met een boekjaar per kalenderjaar kunnen vanaf 2018 genieten van:

  • Een tarief vennootschapsbelasting van 29,58% (onder voorwaarden zelfs 20,40%)

  • Investeringsaftrek 20%

  • Gedeeltelijke vrijstelling doorstorting bedrijfsvoorheffing (40%) voor onderzoeker met een bachelor diploma

  • 100% dbi-aftrek

Maar, dienen vanaf 2018 ook rekening te houden met de volgende compenserende maatregelen:

  • Vooruitbetaalde kosten mogen niet meer volledig in resultaat worden genomen in het jaar van betaling en moeten zowel boekhoudkundig als fiscaal worden gespreid

  • Vrijgestelde meerwaarden op aandelen dienen te voldoen aan strengere voorwaarden

  • Voorzieningen voor risico's en kosten dienen te voldoen aan strengere voorwaarden

  • Er kan geen investeringsreserve meer worden aangelegd

  • Hervorming notionele interestaftrek

  • De dubbele vrijstelling bij inschakelingsbedrijven verdwijnt

  • Kapitaalverminderingen zullen in veel gevallen onderworpen zijn aan roerende voorheffing

  • Zeer grote overgedragen fiscale aftrekken worden beperkt

  • Minimumbezoldiging


1. Vermindering tarief vennootschapsbelasting

Een van de belangrijkste aandachtstrekkers van de hele hervorming is uiteraard de verlaging van het tarief vennootschapsbelasting. Sinds 1 januari 2018 is voor de meeste vennootschappen deze wijziging al gedeeltelijk doorgevoerd.

29,58%

In eerste instantie daalt het tarief naar 29.58% voor de boekjaren die ten vroegste afsluiten op 31 december 2018, op voorwaarde dat deze boekjaren ook ten vroegste zijn gestart vanaf 1 januari 2018. Boekjaren die vroeger afsluiten, of vroeger zijn gestart, zullen nog het oude tarief van 33,99% moeten hanteren.


Vennootschappen die in aanmerking komen voor het verlaagde tarief vennootschapsbelasting krijgen een nog groter voordeel. Zij mogen de eerste €100.000,00 winst afrekenen aan 20,40%. Alle winst boven de €100.000,00 volgt het normale tarief vennootschapsbelasting. Een besparing dus van 9,18%.


Welke vennootschappen komen in aanmerking voor het verlaagde tarief vennootschapsbelasting? Het gaat om de vennootschappen die voldoen aan volgende regels:

  • Uw vennootschap is klein volgens art. 15 W.Venn

  • De aandeelhouders bestaan voor meer dan 50% uit natuurlijke personen

  • Uw vennootschap is geen financiële vennootschap

  • U keert aan ten minste één bedrijfsleider (natuurlijk persoon) een bezoldiging uit van €45.000,00. Indien de winst van de vennootschap lager is dan €45.000,00 is het voldoende dat de bezoldiging minimaal gelijk is aan de belastbare winst van de vennootschap. In deze bezoldiging mogen alle voordelen alle aard alsook eventuele tantièmes mee worden opgenomen. De eerste vier boekjaren dient de vennootschap niet aan deze minimum bezoldiging te voldoen om het verlaagde tarief te kunnen genieten.

2. Investeringsaftrek

Investeringen die worden gedaan vanaf 1 januari 2018 tot 31 december 2019 door kleine vennootschappen, en die investeringen zijn gekoppeld aan de aanslagjaren 2019 en 2020 (boekjaren die afsluiten vanaf 31 december 2018 tot en met 30 december 2020), kunnen recht geven op een investeringsaftrek van 20%.

20%

Om in aanmerking te komen voor de investeringsaftrek moet het gaan om investeringen in:

  • Nieuwe materiele of immateriële vaste activa, dus geen tweedehands investeringen

  • die op minimaal drie jaar worden afgeschreven

  • die uitsluitend beroepsmatig worden gebruikt (dus geen gemengd privé/beroepsmatig gebruik)

  • en personenwagens zijn steeds uitgesloten

Belangrijk om te weten is dat deze investeringsaftrek jammer genoeg niet mag worden gecombineerd met de aftrek voor risicokapitaal (de zogenaamde notionele interestaftrek). Dit is echter geen probleem, want de notionele interestaftrek is ook hervormd, waardoor die nu slechts een fractie zal zijn van wat hij vroeger ooit geweest is.


Voorbeeld:

Een loodgieter koopt een nieuwe bestelwagen op 15 januari 2018. Zijn boekjaar loopt van 1 januari 2018 tot 31 december 2018. Kostprijs: €40.000,00 excl. BTW


Een bestelwagen is uiteraard voor 100% fiscaal aftrekbaar en ook de btw mag volledig worden gerecupereerd. Als gevolg van de hervorming vennootschapsbelasting mag deze vennootschap nu ook een bijkomende investeringsaftrek van 20% nemen. Concreet wil dit zeggen dat de vennootschap in het jaar van aankoop (in dit geval 2018) een bijkomende fiscale aftrek krijgt van €8.000,00 (€40.000,00 x 20%).


Dit levert een besparing op van €2.366,40 (€8.000,00 x 29,58%) indien de vennootschap aan het normale tarief belast wordt, of €1.632,00 (€8.000,00 x 20,40%) indien de vennootschap het verlaagde tarief vennootschapsbelasting geniet.


3. Vrijgestelde meerwaarden op aandelen

Meerwaarden op aandelen in vennootschappen zijn historisch gezien vrij van belastingen, aangezien men er vanuit gaat dat deze meerwaarde correspondeert met de stijging van het eigen vermogen van de aangehouden vennootschap. Het eigen vermogen dat bij stijging reeds in de aangehouden vennootschap wordt belast. Om een dubbele belasting te vermijden, zijn meerwaarden op aandelen aldus vrijgesteld. Op voorwaarde uiteraard dat de aangehouden vennootschap ook effectief een normaal belastingregime heeft ondergaan. Meerwaarden op aandelen van vennootschappen die gelegen zijn in belastingparadijzen komen niet in aanmerking voor een vrijgestelde meerwaarde op aandelen. Deze meerwaarden zijn gewoon belast aan het normale tarief vennootschapsbelasting.


Onder de regering DiRupo is vanaf aanslagjaar 2013 hier een voorwaarde aan toegevoegd. Een meerwaarde op aandelen in de vennootschap was slechts belastingvrij indien deze aandeen minimaal 1 jaar werden aangehouden. Meerwaarden die binnen het jaar werden gerealiseerd, dienden belast te worden aan 25% (+ 3% aanvullende crisisbijdrage geeft 25,75%).


Vanaf aanslagjaar 2014 werd daar een bijkomende wijziging aan doorgevoerd. Meerwaarden die werden gerealiseerd op aandelen die reeds meer dan één jaar werden aangehouden, waren slechts belastingvrij indien de meerwaarden werden gerealiseerd door een kleine vennootschap. Grote vennootschappen dienden op deze meerwaarden 0,4% belasting te betalen (0,412% inclusief aanvullende crisisbijdrage).


Deze laatste belasting wordt afgeschaft, maar er wordt een bijkomende voorwaarde aan toegevoegd. Vennootschappen krijgen slechts recht op een belastingvrije meerwaarde op aandelen indien, naast de minimum houdperiode van één jaar en de normale belastingvereiste, deze aandelen minimaal 10% van het kapitaal van de aangehouden vennootschap vertegenwoordigen, ofwel minimaal 2,5 miljoen aan aanschafwaarde vertegenwoordigen.


Samengevat geeft dit volgend schema:

Meerwaarden op aandelen die geen normaal belastingregime hebben ondergaan zijn en die geen 10% van het kapitaal van de aangehouden vennootschap vertegenwoordigen (of € 2,5 miljoen beleggingswaarde) worden belast aan het normale tarief vennootschapsbelasting. Meerwaarden die wel normaal belast zijn geweest, en waarbij de participatievoorwaarde is voldaan, zullen vrijgesteld zijn indien ze worden gerealiseerd meer dan één jaar na aankoop. In het geval ze worden gerealiseerd binnen het jaar na aankoop, geldt voorlopig nog steeds het voordeeltarief van 25% (+ 2% aanvullende crisisbijdrage geeft 25,50%). Indien de vennootschap belast wordt aan het verlaagde tarief vennootschapsbelasting mag ze er steeds voor opteren om in plaats van de 25,50% het gewone, verlaagde tarief vennootschapsbelasting toe te passen.


4. Minimum bezoldiging

Naast de minimum bezoldiging die geldt om gebruik te kunnen maken van het verlaagde tarief vennootschapsbelasting, geldt vanaf nu ook een effectieve minimum bezoldiging.


De minimum bezoldiging dient te worden toegekend aan minimaal één bedrijfsleider natuurlijk persoon. Indien de vennootschap niet voldoet aan deze minimum bezoldiging, zal de vennootschap op dit moment een aftrekbare heffing aangerekend krijgen ten belope van 5% van het tekort aan toegekende bezoldiging.


Deze minimum bezoldiging bedraagt eveneens €45.000,00. Indien echter de winst van de vennootschap minder is dan €45.000,00, is het eveneens voldoende dat de toegekende bezoldiging gelijk is aan de belastbare winst van de vennootschap. Hier is de berekening echter wel iets complexer.


Voorbeeld:

Een vennootschap heeft een belastbare winst van €50.000,00 en keert aan de zaakvoerder een bezoldiging uit van €30.000,00.


Betekent dit dat er een afzonderlijke heffing van 5% moet betaald worden op het verschil tussen de minimumbezoldiging van €45.000,00 (de winst is namelijk groter van €45.000,00) en de effectief toegekende bezoldiging van €30.000,00?


NEEN! De minimumbezoldiging is maximaal €45.000,00, maar moet eigenlijk als volgt berekend worden:


Dat wil zeggen dat in dit geval, de minimum bezoldiging gelijk is aan (50.000 + 30.000)/2 = 40.000. Wij dienen dus een afzonderlijke heffing te betalen van 5% op €40.000,00 - €30.000,00 = €10.000,00. De kostprijs van het tekort is in dit geval dus €500.


Redenering: De redenering hierachter is eigenlijk vrij eenvoudig. Had deze vennootschap effectief €40.000,00 bezoldiging toegekend, dan was de winst van de vennootschap ook geen €50.000,00 meer geweest, maar was de winst evengoed gezakt tot €40.000,00.




Voor meer informatie omtrent deze topics, of andere fiscale vragen, kan u uiteraard terecht op onze partners Roel Van Hemelen & Mark Joris






336 keer bekeken

© 2018 by Tax Quest | Juridische informatie

  • Black Facebook Icon
  • Black Twitter Icon
  • Black LinkedIn Icon